Alle Java programma's nemen een bepaalde vorm aan. De vorm die een Java applicatie aan kan nemen, wordt bepaald door de syntaxis, dit is de voorgeschreven vorm van programma-onderdelen. Java stelt hier strikte eisen aan. Een programma kan niet werken door bijvoorbeeld een vergeten ; .
De eenvoudigste vorm voor een Java applicatie is:
import packagenaam.Klassennaam;
...
public class Programmanaam {
public static void main (String [] args) {
variabelendeclaraties
opdrachten
}
}
Het programma begint met importopdrachten voor alle bibliotheekklassen die gebruikt worden. Dit kan een lange lijst zijn, maar het kunnen er ook nul zijn. Voor de punt staat de naam van een package, een samenhangend geheel van de bibliotheek, die ook overeenkomt met een map in een filesysteem. Achter de punt staat de naam van de klasse die wordt gebruikt. Deze begint altijd met een hoofdletter.
Na de importopdrachten volgt de klassendefinitie: public class Programmanaam { }. Een Java programma bestaat eigenlijk uit niets anders dan klassendefinities. Ook een applicatie neemt dus de vorm aan van een klassendefinitie. De Programmanaam wordt gekozen door de gebruiker. Deze begint wel altijd met een hoofdletter. Het is verstandig om een naam te kiezen die goed aangeeft wat het programma doet. Verder moet het programma worden opgeslagen in een bestand met dezelfde naam, gevolgd door de extensie .java. Wanneer de naam van het bestand niet hetzelfde is als de programmanaam, dan zal de Java compiler het niet accepteren en komt er een foutmelding.
Tussen de openings- en sluitingsaccolade van de klassendefinitie staat de definitie van de methode main. Deze methode is nodig om de Java applicatie te starten. Als aan de Java Virtual Machine wordt gevraagd om een bepaalde klasse te verwerken, dan zal deze op zoek gaan naar een methode main binnen die klasse. Als die gevonden wordt, dan worden de opdrachten in die methode een voor een uitgevoerd. Als er geen methode main wordt gevonden, komt er een foutmelding.
De opdrachten binnen main maken meestal eerst wat objecten aan, en richten dan aan die objecten verzoeken om bepaalde methoden uit te voeren. Die methoden bestaan zelf ook weer uit een rij opdrachten, die op hun beurt weer andere objecten kunnen maken en kunnen verzoeken om andere methoden uit te voeren, etc. Zo kan een methode main van een paar opdrachten toch tot een hele reeks gebeurtenissen leiden.

Reacties
Een reactie posten